Zie je geen afbeeldingen,hier kun je de player gratis downloaden.

Boeddha, deel 3/3
 

  wie zijn wij...
 
 
 •
Monique
 • Niti
 • Ivar
 
  sitemap
reiki & chios
tantra & meditatie
   
  sites
tantra-lotus
reiki-lotus
ivar mol
forum
   
  informatie
contact, foto's, adres
cursus kalender
plan je eigen afspraak
prijzen
strippenkaart
inschrijfformulier
schrijvvouten
contactgegevens
   
  opleidingen
tantra
sweda massage
spiri begeleider
meditatie
snuffelstage
   
  inzichtkaarten
lotus kaarten
tantra kaarten
   
  winkel
meditatie mp-3
certificaten
wierook
massage olie
kruidenmengsels
3x strippenkaart
bestelformulier
e-boeken
gratis e-boeken
Bol.com boeken
  bol.com Partner
   
  nieuwsbrief
lees de laatste online
   
mail adres voor nieuwsbrief
aanmelden   afmelden

Volg ons op facebook  volg ons op twitter
 
  decembersteun
 

   
  er zijn nu 6 bezoekers op deze site
   
   
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ivar mol > tantra > Gautama de Boeddha (3/3)

In het kader van de reis welk wij elk jaar in februari aanbieden: "In de voetsporen van de Boeddha" hebben we in 2011 een e-boek geschreven met de titel: "Gautama, biografie van een verlichte". Dit boekje is gratis te downloaden en staat tevens op deze website verdeeld over 3 pagina's.
In het artikel zie je nummers, dit zijn voetnoten. Door op het nummer te klikken krijg je extra informatie onderaan de pagina. Door wederom op het nummer te klikken kom je terug in de tekst.
het artikel bestaat uit de hoofdstukken:

Siddharta Gautama
Gautama de asceet
Gautama de Boeddha
Gautama de Mahăpurisha
Gautama de Tathagata
Literatuurlijst
Download het e-boek

Gautama de mahăpurisa

In zijn lezing en zijn uitleg is Gautama de Boeddha nooit diep ingegaan wat nu precies verlichting is of hoe het voelt. Wel gaf hij onomwonden toe de hoogste staat van verlichting bereikt te hebben[55]. Zijn antwoord op vragen over de staat van verlichting was eigenlijk altijd eender: volg het pad en ervaar het zelf. In biografische beschrijvingen komen we soms wel te weten wat een verlichte wel of niet ervaart. Zo was Jivaka Komărabhacca de lijfarts van koning Bimbisăra in 526 v. Chr, een upăsaka en arts van de sangha. Ook Gautama de Boeddha heeft hem in ieder geval 1 maal geconsulteerd wegens ‘disharmonie van de lichaamsvochten’ welke Jivaka verhielp middels oliemassages, laxeermiddelen, warme baden en vruchtensappen[56]. Een verlicht persoon kan dus ziek zijn, een afwijzing van het idee dat een verlichte een soort superpersoon zou zijn geworden. Dit is niet alleen een beeld welk nu hier heerst, maar ook in zijn tijd. 5 Jaar na het bereiken van de verlichting werd de naam mahăpurisa gebruikt om Gautama de Boeddha aan te duiden, een term welk letterlijk supermens betekent. Tijdens de moesson van 524 v. Chr. Kreeg Gautama de Boeddha een bode genaamd Mahăli op bezoek die namens koning Bimbisăra kwam vragen of hij naar Vesăli wilde komen om de droogte tegen te gaan. De moesson was daar niet uitgebroken en hongersnood en ziekte wegens slecht drinkwater begonnen hun tol te eisen. Gautama de Boeddha besloot te gaan en, toegeschreven als een groot wonder maar hoogstwaarschijnlijk niets anders dan toeval, braken de regens uit vlak nadat hij was aangekomen. Omdat er meerdere geleerden in de sangha waren zoals Anănda en Jivaka was het niet heel moeilijk om hygiëneregels op te stellen[57] die ervoor zorgde dat er geen verdere uitbraak van cholera was. De status van Gautama de mahăpurisa werd hierdoor wel versterkt en hem viel grote verering en giften ten deel. Reden om al na 14 dagen terug te keren naar het bamboebos in Răjagaha.

In deze periode groeide het boeddhisme snel en traden mensen uit alle lagen van de bevolking tot de sangha toe. Het is opmerkelijk hoeveel mensen uit de adelstand toetraden en hoeveel grondgebied, inclusief bebouwing, aan de sangha geschonken werd. Zo doneerde Jivaka Komărabhacca de boomgaard Jivakambavana (mangoboomgaard), de bankier Sudatta Anăthapindika (voeder van de armen) kocht een park van prins Jeta[58] en doneerde deze en koning Pasenadi[59] van Kosala heeft meerdere schenkingen gedaan waaronder de răjakărăma (koningshoutklooster). Kosala was waarschijnlijk het land waar de dharma het best gedijde en dit kwam mede door de enorme bereidwilligheid, hulpvaardigheid en giftvrijheid van koning Pasenadi die zulke vormen aannam dat ministers openlijk kritiek begonnen te uiten op de koning. Niet omdat hij het boeddhisme steunde, maar wel in de mate waarin hij dat deed.
Vele mensen uit de adel waren al toegetreden tot de sangha en daarom was de verwondering in Kosala groot toen Gautama de Boeddha de eerste onaanraakbare[60] in de sangha toeliet. Zijn naam was Sunita en ze ontmoette elkaar aan de oevers van de ganges waar Sunita bezig was latrines te legen. Na een gesprek werd Sunita door Gautama de Boeddha en Sariputta gewassen en werd door Ananda voorzien van een pij. Ter plekke werd hij ingewijd als bhikkhu en meegenomen naar de sangha. Dit alles gebeurde ten overstaand van iedereen aanwezig bij de oevers. Nog nooit eerder was in Kosala een onaanraakbare toegelaten tot een spirituele school[61] en de gevolgen waren groots. De geschriften spreken van ‘burgeropstand’, ‘schending van heilige tradities’ en Gautama de Boeddha zou met deze daad de heersende orde willen aanvallen. Koning Pasenadi zelf heeft vervolgens de vorderingen van Sunita gevolgd en opgemerkt dat de dharma vatbaar is voor hem en dus voor iedereen, ongeacht zijn achtergrond.

Naast onaanraakbaren was er nog een groep welke tot nu toe nooit was toegelaten tot een spirituele school namelijk vrouwen. Bhikkhuni’s[62] bestonden niet en spirituele lering was strikt voor mannen, in elke spirituele school inclusief. Er waren wel vrouwen die als leek waren ingewijd, maar opname in de sangha was nog niet gebeurd. Deze vraag kwam van zijn pleegmoeder Pajăpati.

Gautama de Boeddha was in 524 v. Chr. teruggegaan naar zijn ouderlijk huis omdat zijn vader was komen te overlijden. Tijdens zijn verblijf vroeg Pajăpati tot 2 maal aan toe om vrouwen ook op te nemen in de sangha, te beginnen met haarzelf, en dit heeft hij beide keren geweigerd. Na zijn vaderstad te hebben verlaten ging hij naar Vesăli, niet wetende dat Pajăpati haar plan doorzette om Bhikkhuni te worden en haar hoofd kaalschoor en een pij aantrok. Tezamen met enkele andere vrouwen die eveneens Bhikkhuni wilde worden ging zij naar Vesăli om alsnog toestemming te krijgen. Daar aangekomen kwam ze als eerste Ananda tegen die de argumenten van de vrouwen begreep en voor hun ging pleiten bij Gautama de Boeddha.

Op Ananda’s vraag of vrouwen überhaupt de verlichting zoude kunnen bereiken antwoordde Gautama de Boeddha instemmend en na een discussie met meerdere bhikkhu’s stond Gautama de Boeddha het de vrouwen toe tot de sangha toe te treden. Dit is één van de weinige keren geweest dat hij een grote concessie deed naar de sangha toe. Daarom liet hij 8 extra regels opnemen waar de Bhikkhuni’s zich aan dienden te houden. Deze regels, en zijn eerdergenoemde weigering, waren niet ingegeven vanuit discriminatie of de gedachte dat vrouwen minder dan mannen waren. Voor hem was elk mens gelijk maar hij wist dat deze kennis te ver afstond van het volk, en om het Boeddhisme een kans te laten krijgen moest het volk er welwillend naar kijken. Hij vond het nog te vroeg vrouwen op te nemen, maar hij kwam nu voor een onvoldongen feit te staan. De sangha had groot verzet gekend toen hij een onaanraakbare toeliet en wist dat dit verzet groter zou worden als hij ook vrouwen zou gaan toelaten. Dit verzet zou niet alleen buiten de sangha gelden, maar ook binnen de sangha was het niet wenselijk mannen en vrouwen bij elkaar te hebben. Een bijkomend probleem was dat Pajăpati de stiefmoeder was van Gautama de Boeddha en zodoende een natuurlijk gezag zou gaan krijgen binnen de sangha. Daarom werden er, op het eerste gezicht, discriminerende leefregels uitgeschreven waaraan de Bhikkhuni’s zich dienden te houden[63].

  1. Een bhikkhuni dient altijd een bhikkhu als meerdere erkennen.
  2. Een bhikkhuni klooster dient in de nabijheid van een bhikkhu klooster te zijn om zo geestelijke steun te kunnen ontvangen en te kunnen studeren.
  3. Tweemaal per maand dient een bhikkhu lezing en lering aan te bieden aan de bhikkhuni’s.
  4. Na de moessonperiode moeten de bhikkhuni’s de Paravaranaplechtigheid bijwonen en verslag doen van hun vorderingen aan zowel bhikkhuni’s als bhikkhu’s.
  5. telkens als een bhikkhuni een regel overtreedt dient zij een bekentenis af te leggen aan zowel bhikkhuni’s als bhikkhu’s.
  6. Na novice dient een bhikkhuni de toevlucht afleggen voor een gemeenschap van bhikkhuni’s en bhikkhu’s.
  7. Een bhikkhuni mag een bhikkhu niet bekritiseren of berispen.
  8. Een bhikkhuni mag geen dharma instructies geven aan een bhikkhu.

Gautama de Boeddha had altijd gezegd dat de dharma 1000 jaar zou blijven bestaan[64]. Toen de vrouwen werden toegelaten zei hij dat de dharma slechts 500 jaar zou bestaan[65]. Hij heeft altijd deze twijfel gehouden.

De Sangha bleef sterk groeien, helemaal nu ook vrouwen werden toegelaten. Het idyllische idee dat iedereen vredelievend met elkaar omging en dat er geen problemen waren (zoals veelal verhaald in meerdere boeken) is onjuist. Een bhikkhu uit het Ghosita klooster van Kosambi was een keer vergeten het waterreservoir te verversen na deze gebruikt te hebben en werd op het matje geroepen door andere bhikkhu’s. Hij verklaarde onoplettend te zijn geweest maar geen regel te hebben overtreden. Het geval werd vervolgens onderzocht en hij werd schuldig bevonden van het overtreden van een hygiëne regel en uit de sangha gezet. De monnik was echter zeer geliefd en zodoende wilde vele medestanders ook de sangha verlaten en een eigen groep gaan oprichten. Dit alles escaleerde zo erg dat er een strijd begon met menig handgemeen. Hoewel dit leidde tot een scheuring in de sangha kon Gautama de Boeddha dit conflict beslechten. De bewuste bhikkhu bleef in de sangha, maar doordat de sangha groeide en zo ook het aantal kloosters kwamen er steeds vaker conflicten voor. Dit leidde ertoe dat er steeds meer regels en structuur werd ontwikkeld om de sangha te kunnen leiden, iets wat in essentie tegen de dharma in ging. Meditatie vroeg om totale overgave om vandaar uit te kunnen inzien wie je werkelijk bent. Datgene waarvan je altijd dacht dat je het was, was niets anders dan conditioneringen van begeerte en aversie als aangeleerde processen. Nu werden nieuwe conditioneringen aangeleerd en dat was in essentie onjuist. Toch waren deze structuren nodig om de sangha, en dan met name de beginnelingen, te kunnen bijstaan in hun zoektocht. De meer gevorderde leerlingen hadden eerder last dan gemak van deze regels en Gautama de Boeddha begon hun een andere methode bij te brengen welke hij tantra noemde. Zowel het pad als het doel waren hetzelfde als datgene hij altijd al had onderwezen. Maar als geen ander begreep hij dat er meerdere manieren van uitleg noodzakelijk waren omdat niet iedereen gelijk is. De tantra werd ook wel “de geheime leer” of de “mystieke leer” genoemd. Binnen deze vorm van uitleg sprak Gautama de Boeddha over de drie dharmazegels en dat de ware dharma altijd deze drie zegels in zich droeg en dat inzicht in deze zegels regels en structuur overbodig maakte. Deze drie zegels waren leegte (sunnata)[66], kenmerkloosheid (animitta)[67] en doelloosheid (appanihita)[68] en het inzien van deze zegels was een transformatie welk beleeft diende te worden. Zodoende waren dus ook 3 transformaties, dit inzien vraagt diep inzicht, dieper dan het brein kan bereiken en moet meditatief ingezien worden.

Gautama de Tathagata

In de jaren die volgden groeide de sangha verder uit naar 18 kloosters. In het jaar 515 v. Chr. werd de zoon van Gautama de Boeddha 20 jaar en werd ingewijd als bhikkhu. Besloten werd dat Gautama de Boeddha tijdens elke moessonperiode in het centraal gelegen klooster van Savatthi zou gaan verblijven en dat Ananda zijn vaste assistent werd en alle lezingen op zou gaan schrijven[69].
Nu de sangha gevormd en de basis van zijn dharma gegeven en bekend was begon Gautama de Boeddha praktische inhoud te geven aan zijn leer; de Satipatthana sutta (de soetra over de 4 velden van aandacht). Dit was het begin van een meditatietechniek welk later bekend zou gaan worden als Vipassana[70]. In zijn geheime leer voor de gevorderde bhikkhu’s legde hij daarnaast ook nog de  tenang[71] uit. Na de ruzies van enkele jaren geleden kwam, door de nieuwe structuur, steeds meer eerbied en respect voor de sangha. Dit werd vergroot toen Gautama de Boeddha de beruchte seriemoordenaar Angulimala opnam in zijn sangha en deze het geweld afzwoer.
Gautama de Boeddha kreeg meerdere bijnamen, waaronder Sakyamuni[72]. De term Tathagata[73] gebruikte hijzelf veelvuldig als hij over zichzelf sprak om woorden als ‘ik’ en ‘mijn’ te voorkomen.

Toen Gautama de Boeddha 70 was merkte hij op dat zijn toenemende beroemdheid offers vroeg welke hij gezien zijn leeftijd niet meer kon waarmaken. Zo werd hij uitgenodigd om nieuwe kloosters te openen of bij bijzondere plechtigheden zowel binnen als buiten de sangha aanwezig te zijn. Het geven van de dharma lezingen, waar de mensen nog steeds in grote getallen op af kwamen, liet hij steeds meer over aan Săriputta, Moggallăna en Mahăkassapa.
Devadatta was de broer van Ananda en de neef van Gautama de Boeddha en had het plan geopperd om de sangha over te nemen, dit leidde in 491 v. Chr. tot de 2e scheuring binnen de sangha. Tijdens een bijeenkomst in het Veluvana klooster introduceerde Devadatta zijn plan maar werd publiekelijk terechtgewezen door Gautama de Boeddha die hem berispte en hem een khelasika (speekselslikker) noemde.

Devadatta was een jeugdvriend geweest van Gautama de Boeddha en had altijd gezien dat deze beter was op school, sport en muziek, slimmer en sterker was en ook beter lag bij anderen. De jaloersheid van toen begon nu om te slaan in haat. Hij probeerde de Boeddha tot drie maal toe te vermoorden[74], maar al zijn pogingen mislukten. Later paste Devadatta een andere tactiek toe, hij stelde vijf disciplinaire regels voor die bhikkhu’s voor de rest van hun leven zouden moeten nastreven. De Boeddha had geen enkel bezwaar tegen deze regels en stelde dat de bhikkhu’s vrij waren ze na te leven, op vrijwillige basis. Maar om praktische redenen was hij niet bereid deze regels in zijn algemeenheid te laten gelden. Eén van die regels was dat de sangha vegetarisch diende te worden omdat het doden van dieren onjuist was. Gautama de Boeddha was het daar in principe mee eens, maar stelde dat een bhikkhu een bedelmonnik is en moest accepteren datgene hij in zijn bedelnap kreeg. Was dat groente, dan at hij groente, was het vlees, dan at hij vlees. Een Bhikkhu moest dankbaar zijn en mocht geen eisen gaan stellen aan de gift.

Desondanks beweerde Devadatta dat de regels die door hem waren voorgesteld, veel beter waren dan de bestaande disciplinaire regels. Sommige bhikkhu’s waren het met hem eens. Gautama de Boeddha vroeg hem of hij een scheuring in de Sangha teweeg wilde brengen, hierop antwoordde Devadatta bevestigend. Gautama de Boeddha waarschuwde hem dat dit een zeer ernstige misdaad was, maar Devadatta schonk geen aandacht aan zijn waarschuwing. In een gesprek met zijn broer Ananda zei Devadatta dat hij de leiding zou gaan overnemen ongeacht wat Gautama de Boeddha ervan zou vinden. Ananda rapporteerde dit aan Gautama de Boeddha die hierop reageerde:

"Devadatta begaat een zeer ernstige misdaad; het zal hem naar de Avici niraya voeren. Voor een goed mens is het makkelijk om goede daden te doen, en moeilijk om slechte daden te doen; maar voor een slecht iemand, is het makkelijk om slechte dingen te doen en moeilijk om het goede te doen. In het leven is het inderdaad makkelijk om iets te doen dat slecht is en geen voordeel brengt, maar het is moeilijk om datgene te doen dat goed is en voordeel brengt."

Devadatta brak met de Sangha en vertrok met een gevolgd van vijfhonderd bhikkhu’s. Toen Sariputta en Maha Moggallana enige tijd later een bezoek brachten aan de sangha van Devadatta hadden veel bhikkhu’s reeds spijt en keerden terug naar Gautama de Boeddha. Vlak voor zijn sterven keerde Devadatta eveneens terug naar de sangha. 

Zoals Gautama de Boeddha geen vragen beantwoordde over de verlichte staat, zo beantwoordde hij vaker bepaalde vragen niet. In een tweegesprek met de asceet Uttiya beantwoorde Gautama de Boeddha geen enkele vraag die hem gesteld werd. Later legde hij dit aan Ananda uit, dat alleen vragen die rechtstreeks met de praktische beoefening te maken hebben belangrijk zijn. Dat filosofische gesprekken je niet verder helpen en dat de leerstellingen slechts een lijdraad zijn voor de meditatie maar geen doctrine moet gaan worden. Zelfloosheid is een leerstelling, omdat het nu eenmaal zo is. Maar ga niet mediteren om zelfloos te worden want je bent het al, je hoeft het alleen maar in te zien. Meditatie is bedoeld om waarheden in te zien, niet om het gelijk van een doctrine te bereiken.
Gautama de Boeddha legde zijn leer op verschillende manieren uit, omdat iedereen een andere benadering behoeft. Het bevattings- en interpretatievermogen van de toehoorder was belangrijk en hij gaf nooit meer dan dat de ontvanger kon dragen. Om vergelijkbare redenen weigerde hij soms mensen de dharma uit te leggen of op te nemen in de sangha.

In 484 v. Chr. was Gautama de Boeddha 79 jaar en werd tijdens de moesson ernstig ziek. Ananda en anderen maakte zich zorgen, ooit zou hun leraar komen te overlijden en wie moest dan de sangha leiden. Gautama de Boeddha weigerde echter een opvolger aan te wijzen, hij zei: “Niet een leraar maar de leer (dharma) bepaald wie de nieuwe leider wordt”. Voor hem was de dharma de hoogste autoriteit, als deze maar innig begrepen wordt is al het andere bijzaak. Gautama de Boeddha herstelde en met een klein gevolg liep hij in meerdere etappes naar het noorden. In Păvă[75]  werd de kleine groep uitgenodigd bij de smid Cunda voor het eten van de volgende dag. De maaltijd bestond uit meerdere gerechten waaronder sukaramaddava (varkensmals)[76]. Het gerecht kwam Gautama de de Boeddha bedenkelijk voor en hoewel hij er zelf van at gaf hij Cunda de opdracht zijn volgelingen iets anders voor te schotelen. Na het eten vertrok de groep weer maar Gautama de Boeddha werd overvallen door heftige buik- en maagkrampen, kolieken en diarree. In de buurt van Kusinără is hij gaan rusten en heeft Ananda op het hart gedrukt dat Cundu geen verwijten gemaakt mochten worden aangezien hij het allemaal met de beste bedoelingen heeft gedaan. Voor Gautama de Boeddha was het duidelijk dat hij op deze plek zou gaan sterven. Hij gaf Ananda opdrachten hoe men met zijn stoffelijk overschot moest omgaan. Ook gaf hij wederom aan dat de sangha geen leraar nodig had, behalve de leer zelf:

“Misschien Ananda, komt bij één van jullie deze gedachte op: “het woord van de leraar is heengaan; wij hebben geen leraar meer.”
Maar dat moet niet zo gezien worden. De leer en de discipline, die door mij onderwezen en uiteengezet zijn, die zijn na mijn heengaan jullie leraar.”
[77]

Gautama de Boeddha stelde alle aanwezige bhikkhu’s in de gelegenheid een laatste vraag te stellen, maar iedereen gaf aan dat er geen onduidelijkheid was. Gautama de Boeddha sprak vervolgens zijn laatste woorden uit:

“Welaan dan, monniken, ik zeg jullie, wat de mens bezielt, is aan vergankelijkheid onderhevig; streeft niet aflatend (naar het onvergankelijke, het nirvana)!”[78]

Gautama de Boeddha stierf in de maand vesăkha in het jaar 483 v. Chr. 

Literatuurlijst

  • De historische Boeddha, Asoka, 9789056702205
  • De schatten van de Boeddha, Tom Lowenstein, H.F. Ullmann, 9783833146848
  • Het evangelie van Boeddha, Paul Carus, Ankh-Hermes, 9020233076
  • In de voetsporen van de Boeddha, Thich Nhat hanh, Altamira-Becht, 9789069637075
  • Lexicon Boeddhisme, Ingrid Fischer-Schreiber, Frank-Karl Ehrhard, Michael S. Diener, Asoka, 9789789056701710
  • Lopen in het voetspoor van de Boeddha, Maarten Olthof, Ten Have, 9789025959272
     

[55] Bijvoorbeeld in een gesprek met koning Pasenadi van Kosala, opgetekend in de Samyuttanikăya 3, I

[56] Mahăvagga van de Vin 8, I, 30-33

[57] Deze regels zijn opgenomen in de Ratanasutta (edelsteen soetra)

[58] Prins Jeta was de zoon van koning Pasenadi van Kosala.

[59] Koning Pasenadi van Kosala was de zoon van koning Mahăkosala. Koning Pasenadi laat zich het best omschrijven als een Bourgondiër, iemand die van het goede even hield en derhalve ook zeer dik was. Hij was een sluw maar ook ietwat naďef. Hoewel hij het boeddhisme zeer steunde twijfelde hij niet om criminelen te executeren door ze op houten palen te laten spiesen.

[60] Een onaanraakbare viel buiten het kaste stelsel en werd gezien als geestelijk bederfelijk en mocht zodoende niet in de aanwezige van kastenleden komen (vandaar de term: onaanraakbare). Vaak waren het slaven en moesten de meest vieze werkzaamheden doen.

[61] De eerste vrouwelijke onaanraakbare die opgenomen werd in de sangha was Prakriti, een vrouw die verliefd was geworden op Ananda. Toen ze zag dat de liefde die hij uitstraalde zij verwarde met verliefdheid vroeg ze om opgenomen te worden.

[62] Bhikkhuni is non

[63] Deze leefregels voor vrouwen hebben ertoe geleid dat het idee ontstond dat vrouwen wel minder capaciteit hadden om de verlichting te bereiken dan mannen. Een gedachte welk in meerdere boeddhistische stromingen leeft.

[64] Dit moet niet letterlijk maar spreekwoordelijk opgevat worden..

[65] Cullavagga van de Vin 10, I, 6

[66] Sunnata (leegte) zegt niet dat dingen niet bestaan, maar dat niets onafhankelijk van al het andere kan bestaan. Leegte van een afzonderlijk iets dus. Leegte is onderlinge afhankelijkheid.

[67] Animitta (kenmerkloosheid) is de overstijging boven de menselijke waarneming. Wat je waarneemt is niet perse zoals het is. Neutrale observatie laat zien hoe dingen werkelijk zijn; kenmerkloos.

[68] Appanihita (doelloosheid) is niet jagen. Begeerte en aversie worden pas actief als  we er een handeling bij plaatsen. Door niet te handelen kan er geen extern lijden veroorzaakt worden. Inzien dat handelen doelloos is omdat de begeerte en aversie nooit te bevredigen zijn.

[69] Ananda was de belangrijkste biograaf van Gautama de Boeddha. Hij was altijd aan zijn zijde en had een uitstekend geheugen. Hij noteerde de lezingen op papier en legde deze kort daarna aan Gautama de Boeddha voor die zodoende correcties kon toepassen. Naast deze dharma geschriften beschreef Ananda ook wat Gautama de Boeddha deed, de gebeurtenissen wel zijn meemaakten, alle sangharegels, etc. Naast Ananda waren er meerdere biografen actief zoals de broers Yumela en Tekula. 

[70] In het e-boek: “Boek van meditatie” is deze meditatietechniek geheel uitgeschreven.

[71] In de e-boeken: “Boek van meditatie” en “Boek van tantra” zijn deze meditatietechnieken geheel uitgeschreven.

[72] De naam Sakyamuni is een verwijzing naar de Sakya's: letterlijk betekent het de wijze van de Sakya's.

[73] Tathagata heeft 2 betekenissen: “degene die zo is gegaan” (tathā-gata) en “een die aldus is gekomen” (tathā-Agata).

[74] De eerste maal stuurde Devatta een huurmoordenaar maar deze schaamde zich zo erg dat hij Gautama de Boeddha vergiffenis vroeg. Bij de 2e poging was het de bedoeling dat Gautama de Boeddha onder een steenlawine bedolven zou worden, bij deze poging raakte hij ook verwond aan zijn voet. Bij een derde poging werd een woeste olifant gebruikt. 

[75] Păvă is waarschijnlijk het tegenwoordige Fazilnagar.

[76] Het is onbekend of hiermee ook varkensvlees, paddenstoelen of groente mee bedoelt wordt.

[77] Dighanikăya 16, 6, I

[78] Dighanikăya 16, 6, 7
 

deel 1 | deel 2 | deel 3