Zie je geen afbeeldingen,hier kun je de player gratis downloaden.

Boeddha, deel 2/3
 

  wie zijn wij...
 
 
 •
Monique
 • Niti
 • Ivar
 
  sitemap
reiki & chios
tantra & meditatie
   
  sites
tantra-lotus
reiki-lotus
ivar mol
forum
   
  informatie
contact, foto's, adres
cursus kalender
plan je eigen afspraak
prijzen
strippenkaart
inschrijfformulier
schrijvvouten
contactgegevens
   
  opleidingen
tantra
sweda massage
spiri begeleider
meditatie
snuffelstage
   
  inzichtkaarten
lotus kaarten
tantra kaarten
   
  winkel
meditatie mp-3
certificaten
wierook
massage olie
kruidenmengsels
3x strippenkaart
bestelformulier
e-boeken
gratis e-boeken
Bol.com boeken
  bol.com Partner
   
  nieuwsbrief
lees de laatste online
   
mail adres voor nieuwsbrief
aanmelden   afmelden

Volg ons op facebook  volg ons op twitter
 
  decembersteun
 

   
  er zijn nu 4 bezoekers op deze site
   
   
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ivar mol > tantra > Gautama de Boeddha (2/3)

In het kader van de reis welk wij elk jaar in februari aanbieden: "In de voetsporen van de Boeddha" hebben we in 2011 een e-boek geschreven met de titel: "Gautama, biografie van een verlichte". Dit boekje is gratis te downloaden en staat tevens op deze website verdeeld over 3 pagina's.
In het artikel zie je nummers, dit zijn voetnoten. Door op het nummer te klikken krijg je extra informatie onderaan de pagina. Door wederom op het nummer te klikken kom je terug in de tekst.
het artikel bestaat uit de hoofdstukken:

Siddharta Gautama
Gautama de asceet
Gautama de Boeddha
Gautama de Mahăpurisha
Gautama de Tathagata
Literatuurlijst
Download het e-boek

Gautama de asceet

Siddhartha had nu onderwijs gekregen van de 2 meest vooraanstaande meditatieleraren en wist dat andere leraren hem weinig meer zouden kunnen gaan aanbieden. Het was nu 5 jaar geleden dat hij zijn gezin verlaten had en hij zag in dat hij van nu af aan middels zelfinzicht zijn verlichting zou moeten gaan ontdekken. Hij stak de rivier de Neranjara over en kwam in het dorp Uruvela[31] aan de voet van de Dangsiri berg. Hier waren uitgestrekte wouden en waren er grotten en hier besloot hij gedurende een langere periode te gaan mediteren.
De eenzaamheid viel hem tegen en hij merkte op dat hij angsten had voor wilde dieren en dat hij zich ‘s nachts onbehaaglijk en alleen voelde. Hij ging alle oefeningen herhalen welk hij in de afgelopen 5 jaar had geleerd en zo herinnerde hij ook de methoden van de asceten en hoewel hij zijn twijfels had begreep hij ook dat “je geen vuur kunt maken van zacht, nat hout”. Hij besloot deze methode ook te gaan proberen en in plaats van dagelijks een bedelronde te maken deed hij dat nu eens per week en accepteerde dan ook niet meer dan wat in de holte van zijn hand paste. In plaats van zijn haren te scheren trok hij deze uit en hij stopte met elke vorm van lichaamsverzorging: “het meeste vuil valt er vanzelf wel weer af”. Hij trok zich steeds meer terug en woonde enige tijd op de lijkenvelden en begon de onverteerde stukjes in zijn eigen ontlasting en dat van voorbijtrekkende runderen te eten, later zou hij dit de “grote vuilconsumptie” gaan noemen.
Zijn ijzeren discipline dwong respect af in de omgeving en naast een groep bewonderaars kreeg hij ook 5 volgelingen die zijn voorbeeld gingen volgen. Eén van hen was de 15 jaar oudere brahmaanse priester Kondańńa die aanwezig was bij zijn naamgevingceremonie. De overige volgelingen heetten Bhaddiya, Vappa, Mahănăma en Assaji, allemaal zonen van Brahmanen en ex-leerlingen van Uddălaka Ăruni. Ze maakten een afspraak dat de eerste die de verlichting zou bereiken het de anderen direct zou gaan onderwijzen.

Tijdens één van zijn meditaties herinnerde hij de ceremoniale eerste ploeging van het jaar waar hij als jongeling naar keek en hoe de ploeg door de aarde sneed en dit de aanleiding was voor een spontane en diepgaande meditatie. Hij zag in dat een diepgaande meditatie ook te bereiken is zonder ascese en hij herinnerde zich voornamelijk de vreugde en ontspanning welk hij elke keer ervoer als hij een nieuwe meditatietechniek aanleerde. Maar deze technieken waren altijd een middel om een hoger doel te bereiken en zodra hij dat probeerde verloor hij de vreugde. Hij ontdekte dat deze vreugde een heel andere vreugde was dan de vreugde van de begeerte en het ego en dat deze vreugde juist voedend is voor lichaam en geest en dat deze twee in balans dienen te zijn om überhaupt te kunnen mediteren. Hij verwoorde het later als volgt:


“Met deze methode, langs de weg, door middel van deze harde ascese bereikte ik geen bijzondere kennis en visie, de edelen waardig, die de menselijke toestand overstijgt. En waarom niet? Omdat ik dat edele inzicht (pańńa) niet bereikte, dat, als men het heeft, de uitweg blijkt te zijn en voor de betrokkene al gehele vernietiging van het lijden met zich meebrengt”. [32]

Na het pad van ascese een half jaar gevolgd te hebben besloot hij weer te gaan eten en wederom een samana te worden. “Een gezonde geest in een gezond lichaam” zorgde ervoor dat hij zowel op fysiek als ook op geestelijk niveau moest aansterken. Middels de technieken die hij bij Ălăra en Uddălaka had geleerd kon hij zijn geest weer tot rust en vrede brengen. Nadat hij dit stadia wederom bereikt en vervolgens gesystematiseerd had noemde hij dit proces “de 4 fasen van verzinking”[33]. Wat zijn leraren zagen als het eindpunt (het doel) van meditatie zag hij als het beginpunt. Er was rust gecreëerd, nu kon hij vanuit een neutrale observatie op zoek gaan naar de bronnen van onrust. Deze zoektocht zou hij later beschrijven als “het 3 weten” en dit deed hij onder een Bodhi boom, gedurende een nachtelijke meditatie welk hij opdeelde in 3 sessies/nachtwaken.
Tijdens de eerste nachtwake zag hij de wereld van verschijnselen waar hij zelf deel van uitmaakte, zag zijn voorgaande levens, zag het blad aan de boom waar tegelijk het water uit de wolken en de grondstoffen in de aarde aanwezig waren, zag het blad van de boom vallen en weer grondstof voor de aarde worden zag in dat geboorte en sterven niet bestaan maar deel uitmaken van de aanwezigheid van verschijnselen. Alles omvat alles en alles is van alles afhankelijk zonder een afzonderlijk, blijvend zelf te zijn. Hij besefte dat de verlichting in twee principes lag; Onderlinge afhankelijkheid en zelfloosheid. Dit eerste weten noemde hij vijiă.
Tijdens zijn tweede nachtwake zag hij dat de bron van het lijden het onjuist geloof in bestendigheid en in het bestaan in een zelf voor ieder afzonderlijk is. Dit tweede weten noemde hij kamma (karma).
Tijdens zijn derde nachtwake zag hij dat kamma het lijden is wat de mens ervaart, dit lijden heeft een oorzaak en deze oorzaak is op te heffen en Siddhartha was bezig deze manier te ontdekken en dat de verlichting te bereiken was middels het middels het juiste spreken, juist handelen, juiste levensonderhoud, juiste inspanning, juiste opmerkzaamheid, juiste concentratie, juiste gedachte en juist begrijpen (8-voudige pad). Dit derde weten noemde hij de 4 edele waarheden.
Toen hij deze 3 inzichten had gekregen realiseerde hij: 

”Verzekerd ben ik van mijn verlossing,
dit is mijn laatste geboorte,
opnieuw ontstaan zal ik niet meer!”
[34]

Later zou hij vertellen dat onwetendheid als een cipier is, die je leven na leven gevangen houdt in de wereld van verschijnselen. Hij wist dat hij de verlichting[35] bereikt had, hij was nu 35 jaar oud[36].

Gautama de Boeddha

Het is niet geheel duidelijk hoe de eerste periode na zijn verlichting is verlopen. Wel is duidelijk dat hij ongeveer 5 weken in Uruvela is gebleven en dat hij in deze periode veelvuldig gemediteerd heeft. Centraal in deze periode stond de vraag: “En wat nu?” Zijn hele zoektocht was gericht om de bron van het lijden te achterhalen en deze te kunnen elimineren. Nu hij zijn zoektocht afgerond had wist hij nog niet precies wat hij met deze kennis moest gaan doen, in eerste instantie twijfelde hij of de leer überhaupt wel over te dragen was. Het was geen technische leer, niet rationeel maar juist inzichtelijk, subtiel, abstract en enkel vanuit zelfondervinding in meditatie te ervaren. Deels gaat het verhaal dat hij veel contact had met kinderen uit de omgeving en opmerkte dat hij zijn leer op hun toch kon overdragen. Deels gaat het verhaal dat hij middels verschillende meditatieperiodes, steeds gezeten onder een andere boom, tot de realisatie kwam dat hij zijn leer moest gaan uitdragen, hij wist alleen nog niet hoe.

Tijdens een observatie van een lotusvijver viel het hem op hoe verschillend de lotusbloemen waren. Niet alleen qua ontwikkeling in groeistadia, maar ook qua kleur en vorm. Hij bedacht hoe verschillend de mensen zijn en dat er niet zo heel veel verschil is tussen een mens en een lotusbloem. Zodoende realiseerde hij zich dat zijn leer niet strikt diende te zijn, maar op verschillende manieren moet kunnen worden uitgelegd. Hij verkoos zijn oude leraren Ălăra en Uddălaka als eerste proefpersonen want hij achten hun beiden in staat spoedig de verlichting te kunnen bereiken. Op zijn tocht terug ontmoette hij de asceet Upaka die hem vertelde dat Uddălaka enige dagen geleden was overleden. Ook Ălăra bleek onlangs overleden te zijn. Gautama de Boeddha[37] besloot toen op zoek te gaan naar zijn 5 asceten-vrienden die hij vond in het hertenkamp in Isipathana[38] nabij de stad Varanasi.
In eerste instantie waren de 5 asceten nog verbolgen over het feit dat Siddhartha het ascetisme had gestaakt wat zij zagen als een vlucht uit de zoektocht naar verlichting en zij negeerden Gautama de Boeddha. Toen ze echter zagen dat hij innerlijke vrede uitstraalde was hun interesse gewekt.

Om de mythe van Gautama de Boeddha en het ideaalbeeld van de verlichting weg te halen 2 episodes die wellicht opmerkelijk kunnen zijn.
Tijdens zijn ontmoeting met Upaka merkte deze de uitstraling van innerlijke rust op en hij vroeg aan Gautama de Boeddha wie zijn leraar was. Deze antwoordde met trots dat hij verlost was door de vernietiging van de begeerte, dat hij een overwinnaar was; daarom had hij geen leraar”. Upaka was niet erg onder de indruk van zijn woorden en zei: “Moge het zo zijn, broeder!”[39].
Toen hij zijn vrienden in Isipathana ontmoet had spraken zij hem aan met ăvuso wat ‘broeder’ betekent. Gautama protesteerde tegen deze aanspreekvorm en zei:

“Monniken, spreek de tathăgata (zogekomende) niet aan met de naam en de aanduiding ‘broeder’ (alsof hij jullie gelijke is). Een arhat (heilige), monniken, is de zogekomende, een volkomen ontwaakte!”.[40]

In andere teksten komt vaker naar voren dat Gautama de Boeddha na zijn verlichtingservaring, als Boeddha zijnde, ervoer tot een andere categorie van wezens te behoren en dat alleen de uiterlijke verschijningsvorm overeenkwam met hen die nog niet verlicht waren. Het is moeilijk hier geen egocentrisme in te gaan zien. Gautama bleef in de rest van zijn leven een bedelmonnik, had geen privileges en gedroeg zich niet anders dan andere monniken. Maar in zijn leer gold: dingen zijn zoals ze zijn, en een verlicht persoon was fundamenteel anders dan een niet-verlicht persoon.

Een andere mythe is dat Gautama de Boeddha volstrekt oordeelloos was. Als de soetra’s grondig gelezen worden valt op dat hij juist zeer sterk kon oordelen, zoals in zijn eerste lezing welk hij gaf aan zijn 5 leerlingen Isipathana:

"Monniken, er zijn twee uitersten die niet in praktijk gebracht horen te worden door iemand die het wereldse leven verlaten heeft. Welke zijn deze twee? Er is beoefening van het najagen van plezier in de objecten van zintuiglijke begeerten, hetgeen minderwaardig, laag, vulgair, verachtelijk is, en niet naar het goede leidt; en er is beoefening van zelfkwelling, hetgeen pijnlijk is, verachtelijk, en niet naar het goede leidt."[41]

In zijn eerste lezing, welke “Dhamma Cakka Pavattana Sutta“[42] is gaan heten legde Gautama de Boeddha voor het eerst de 4 edele waarheden uit en dit was ook voor het eerst dat hij sprak als leraar en zijn dharma aan anderen uitlegde. Kondańńa was de eerste die de leer van Gautama de Boeddha volledig begreep en werd de eerste bhikkhu[43]. In diezelfde periode is hij “de soetra van de kenmerken van het niet-ik” gaan uitleggen, en dit was een fundamenteel andere visie dan welke leer of leraar tot dan toe had uitgelegd, namelijk die waarin de ik-individu niet bestaat, dat de ziel niet bestaat en dat reďncarnatie zielloos is net als persoonlijkheid zielloos is. Dit sloot geheel aan met zijn eerste lezing waarin hij onder andere uitlegde dat alles veranderlijk is. Binnen 3 maanden bereikten alle 5 zijn leerlingen de verlichting[44] en werden zodoende arhat[45]. Deze 6 verlichte personen bleven bij elkaar en Gautama de Boeddha noemden dit de sangha; “een gemeenschap van degenen die in harmonie en in aandacht leven”.
Kort daarna ontmoette Gautama de Boeddha Yasa, de zoon van een rijke koopman uit Varanasi. Verveeld van alle rijkdom en vorm miste Yasa de inhoud van het leven en hij werd de 6e bhikkhu in de sangha. Zijn vader, eveneens onder de indruk, wilde ook de leer tot zich nemen maar kon zich niet vrijmaken van zijn werk en gezin. Hij werd upăsaka[46] en de eerste die ingewijd werd met het aanroepen van de drie-eenheid (toevlucht nemen) welk tot de dag van vandaag wordt toegepast:
 

Ik neem toevlucht tot de Boeddha
ik neem toevlucht tot de dharma
ik neem toevlucht tot de sangha.


De moeder van Yasa werd de eerste vrouwelijke upăsaka en vele vrienden en bekenden van de familie werden ook upăsaka of bhikkhu. Niet lang daarna telden de sangha 61 bhikkhu’s die uiteindelijk allemaal de verlichting vonden[47].

Gautama de Boeddha wordt tegenwoordig vaak gezien als een liefdevol persoon die overal begrip voor heeft en altijd lacht en waar iedereen dol op was. Dit beeld klopt niet. In die tijd werd hij door veel mensen, en vooral de brahmanen gezien als een luis in de pels. De brahmanen hadden zichzelf tussen de burgerij en de goden geplaatst waarbij de burgers en de goden afhankelijk waren van de gunsten van de brahmaanse priester om de goden te bekoren met rituelen en offers. Zonder deze konden de goden niets doen en werd de burgerij niet geholpen. Hun aanwezigheid was dus essentieel en dat lieten zij gelden in macht, status en rijkdom. Nu was er opeens een persoon die beweerde dat al het lijden niet veroorzaakt wordt door de goden, maar door onszelf geschapen. Dat de oplossing van dit lijden in onszelf gezocht dient te worden en niet bij de goden die ook nog een keer niet bestaan. Hiermee werd de noodzaak en bestaansrecht van de brahmanen geheel weggehaald en alleen al vanuit financieel en sociaal oogpunt was dit voor de burgerij een zegen. Zij hoefden de priesters niet meer duur te betalen voor hun rituelen en offers zij konden niet meer door deze priesters gechanteerd worden. Gautama de Boeddha vond een groot gehoor bij deze burgerij, maar ook bij de kaste van de heersende macht, de radja’s en koningen. Zij moesten al eeuwenlang hun macht delen met die van de brahmanen en Gautama de Boeddha ontnam wel de macht van de brahmanen, maar niet van de heersende macht zolang deze maar zorgde voor goed bestuur. De fondsen die voorheen naar de brahmanen gingen, werden nu aan Gautama de Boeddha besteed en op vele plaatsen ontstonden dharmaruimten en werden bhikkhu’s voorzien van de eerste voeding, pijen en ruimten. Er werd voor transport en infrastructuur gezorgd zodat mensen naar de lezingen konden komen en medische hulpposten en scholen werden opgericht voortkomend uit het 8-voudige pad: juist handelen. 

De Brahmanen zagen dit met lede ogen aan. Hun invloedssfeer werd voor het eerst sinds eeuwen fundamenteel en in rap tempo aangetast, maar ook de aanhangers van dit brahmanisme werden aangesproken; zo beweerde Gautama de Boeddha dat rituele wassingen onzinnig waren en dat je door een wassing[48] niet je zonde kon wegwassen. Ook de vuuroffers (wegbranden van de zonde) en de dieroffers aan de goden bestempelde hij als onzinnig:

“Denk niet, o brahmaan, dat je door het leggen van brandhout
reinheid verkrijgt. Dit is slechts een uiterlijkheid.
Wie loutering nastreeft met uiterlijke middelen,
die wordt niet gelouterd, zo zeggen de wijzen.”
[49]

Tot slot zei hij dat iedere vorm van cultus overbodig was. Hiermee maakte Gautama de Boeddha in bepaalde kringen zich niet erg geliefd. Er zijn meerdere moordpogingen op hem geweest en er is vaak geprobeerd hem in diskrediet te brengen.

In ditzelfde jaar 528 v. Chr. verbleef hij gedurende de moessonperiode in Isipathana. Deze regenperiode maakte het onmogelijk om te reizen en zodoende werd de moesson de vaste periode voor retraite. Dit was het enige jaar dat Gautama de Boeddha zijn retraite in Isipathana hield. Aan het einde van de moesson besloot hij de overdracht van de dharma niet meer als enige op zich te nemen maar de arhat’s in te zetten als missionarissen en zond deze alle kanten op. Met het heenzenden gaf hij hun ook de toestemming om mensen op te nemen in de sangha door de 3-voudige toevlucht af te nemen. Hiermee kwam de sangha los te staan van zijn oprichter en kon, zonder de aanwezigheid van Gautama de Boeddha, een eigen leven leiden.

Na Isipathana besloot Gautama de Boeddha terug te gaan naar Uruvela, de plaats waar hij de verlichting vond. Hij wilde de families, die hem na zijn ascese periode hadden geholpen, bedanken en hun de dharma brengen. Op zijn reis heeft hij meerdere mensen opgenomen in de sangha en eenmaal aangekomen bleek dat 3 spirituele leraren met hun gevolg in en rond Uruvela huisden. Het waren broers[50] die als jatila[51] asceet de vuur en watercultus bedreven en elke een grote groep (enkele honderden) leerlingen hadden.

In een periode van discussie en meditatie liet Gautama de Boeddha duidelijk merken zich geen gelijke te voelen met de andere 3 spirituele leraren. Toen de oudste van de broers hem aansprak met “Gautama” zei hij “anderen spreken mij aan als de Boeddha”. Op een gegeven moment zei hij tegen dezelfde broer:

“Kassapa, je bent noch een heilige, noch iemand die de weg naar heiligheid betreden heeft. Jouw levenswandel is niet van dien aard dat je er heilig door kunt worden of (zelfs maar) de weg naar heiligheid betreden kunt”[52].

Het uiteindelijke resultaat was dat de 3 broers en hun aanhang zich lieten opnemen als bhikkhu in de sangha. Direct moest er een structuur bedacht worden om de sangha te kunnen organiseren aangezien de asceten met hun dieroffers voor hun eigen voedselvoorziening zorgden en nu opeens bedelmonnik werden. Bij elkaar blijven zou een te grote druk leggen op de lokale bevolking en zodoende moest de groep opgesplitst en gereorganiseerd worden. Voordat de groep uiteen ging hield Gautama de Boeddha de soetra van het vuur.
De sangha werd in snel tempo groter en verspreidde zich over een steeds groter gebied. Omdat iedereen bedelmonnik was legde dit een druk op de lokale bevolking en in de moessonperiode kon er niet rondgetrokken worden zodat er een conglomeratie ontstond welk niet alleen voeding, maar ook land en bouwmateriaal nodig had. Gautama de Boeddha begreep dat hij de heersende macht, en dan met name de radja’s en de koningen, voor zich moest winnen. Om die reden reisde hij na Uruvela door naar Răjagaha. Hier had hij, kort na zijn vertrek van zijn gezin, een ontmoeting gehad met koning Bimbisăra van Maghada. Rond de jaarwisseling 528-527 v. Chr. werd Bimbisăra een upăsaka en schonk de sangha het park Veluvana (Bamboebos) om daar het eerste klooster op te richten. In navolging van de koning deden vele burgers hetzelfde en hiermee was het eerste Boeddhistische koninkrijk een feit. Onder de nieuwe bhikkhu’s bevonden zich Săriputta en Moggallăna[53], die snel hun arhat-schap bereikte en meer dan 40 jaar bij Gautama de Boeddha bleven en tot zijn belangrijkste leerlingen behoorden. Twee andere toegetreden bhikkhu waren Kăludăyin[54] en Channa, jeugdvrienden van Gautama de Boeddha die door diens vader gestuurd was om zijn zoon over te halen terug te keren naar Kapilavastu. Gautama de Boeddha beloofde na de volgende moessonperiode huiswaarts te keren.

In 527 v. Chr. Ging Gautama de Boeddha op weg naar zijn geboortegrond en dit werd een ontmoeting die niet al te soepel verliep. Kăludăyin was al eerder vertrokken om de aankomst mede te delen en zodoende was alles reeds in paraatheid. Toen Gautama de Boeddha in Kapilavastu aanwam ging hij niet gelijk naar zijn gezin of ouders, maar deed eerst een bedelronde in de stad en ging daarna zijn ouders opzoeken. De eerste gesprekken met zijn vader, de radja Suddhodana waren allerminst harmonieus en Gautama de Boeddha moest veel verwijten aanhoren. Bhaddakaccănă was nu 8 jaar een monniksweduwe geweest en had naast eerbied ook een boosheid ontwikkeld jegens haar vroegere man. Om dit te tonen stuurde zij hun zoon, Răhula, naar zijn vader met de vraag wat zijn erfdeel is. Toen de jongen dit aan zijn vader vroeg gaf deze Săriputta direct de opdracht de jongen in te wijden als novice en zijn mentor te gaan worden. Dit was zeer tegen het zere been van de radja dus nu zijn 2e beoogd opvolger zag verdwijnen. Deze boosheid werd er niet minder op toen ook de halfbroer van Gautama de Boeddha en, Nanda, ingewijd werd als Bhikkhu. Radja Suddhodana had nu geen enkele opvolger meer en uitte zijn boosheid tegen zijn zoon en bezwoer hem dat geen minderjarige in de sangha opgenomen mocht worden zonder toestemming van zijn ouders. Voor zover is dit de enige concessie die Gautama de Boeddha ooit gedaan heeft aan iemand van buiten de sangha. In al zijn andere beslissingen bleef hij de rest van zijn leven volstrekt compromisloos. Dit resulteerde dat hij elke man liet toetreden tot de sangha ongeacht de situatie waarin diens achterblijvende gezin in terecht kwam. Het verlies van een kostwinner betekende veelal armoede, maar Gautama de Boeddha vond het voordeel voor een bhikkhu om verlichting te bereiken groter dan het nadeel waarin het gezin in terecht kwam.

Naast de toetreding van Răhula en Nanda zijn er opvallend weinig mensen uit zijn thuisstad die toevlucht namen. Veel burgers konden niet geloven dat de ooit verwendde Siddhartha nu een verlicht persoon was. Anderen durfden de stap niet te maken uit angst dat koning Pasenadi van Kosala, waar Sakya onder viel, de nieuwe geloofstroming niet zou accepteren.
Zoals gebruikelijk werd enige dagen later het officiële ontvangst gevierd en werd er een feestmaal voor de sangha gehouden. Gautama de Boeddha heeft ook hier een lezing gehouden en dit deden zijn ouders inzien dat hun zoon werkelijk een verheven persoon was.
In de periode dat Siddhartha Gautama bezig was zijn verlichting te zoeken waren 7 personen uit Sakya eveneens vertrokken om ook hun verlichting te vinden. Deze 7 personen kwamen Gautama de Boeddha in Anupiyă tegen toen deze weer vertrokken was en zij besloten allen tot de sangha toe te treden. Onder deze 7 personen bevonden zich 3 neven van Gautama de Boeddha; Devadatta, Anuruddha en Ănanda. Ănanda werd later de vaste assistent Gautama de Boeddha en degene die de meeste soetra’s heeft geschreven.


[31] Tegenwoordig is Uruvela bekend onder de naam Bodhgaya (Bodh Gaya of Buddha Gaya), een naamgeving welke pas in de 18e eeuw  in zwang raakte. Na Uruvela werd de plaats bekend als Vajrasana (diamanten zetel), Mahabodhi (groot inzicht) en nu dus Bodhgaya. De naam verwijst naar de Bodhi boom (ficus religiosa, pipal boom,  vijgeboom, ) waaronder Siddhartha later zijn verlichting vond.

[32] Majjhima Nikaya 12, I, p. 81

[33] De 4 fasen van verzinking (jhăna)  worden beschreven in de Majjhima Nikaya 36, I, p. 247. 

[34] Majjhima Nikaya 26, I, p. 167

[35] De gedachte, deels gevoed door het Zen boeddhisme, dat de verlichting plotsklaps komt is uit de woorden van Gautama de Boeddha niet juist. Hij beschrijft zelf dat zijn verlichting zich uitstrekte over 3 nachtwaken van bij elkaar ongeveer 9 uur. Dit toont aan dat zijn verlichting een geleidelijk proces was. 

 

[37] Na zijn verlichting werd hij niet meer bij zijn voornaam genoemd maar als Gautama de Boeddha. Soms werd hij ook Sakjamoeni (Sakyamuni) Boeddha genoemd. Sakjamoeni betekent: “wijze uit het geslacht Sjakja”. 

[38] Isipathana (Migadaya, Rishipattana) heet tegenwoordig Sarnath en is 10 km gelegen van Varanasi. Migadaya betekent hertenpark, Isipathana betekent de plaats waar heiligen ('isi' - Pali of 'rishi' - Sanskriet) ter aarde komen. De origine van de naam Isipathana is een legende waarin de heiligen hun psychische krachten gebruikten om door de lucht naar de Himalayas te reizen, zij hier opstegen, en bij terugkomst hier ook weer landden. Sarnath komt van de naam Saranganath, wat heerser van de herten betekent. Het verwijst naar een oud boeddhistisch verhaal waarin de bodhisatta een hert is en zijn leven opoffert aan de koning, als deze belooft de hinde, die hij gevangen had en van plan was te slachten, te laten gaan. De koning was zo onder de indruk van de hertenkoning dat hij het hertenpark liet aanleggen.

[39] Deze episode is in de canon meerdere keren opgenomen: Majjhima Nikaya 26 en 85, Mahăvagga van de Vin I 6.

[40] Majjhima Nikaya 26, I, p. 171.

[41] Mahăvagga van de Vin I, 6, 7 + 19-22

[42] “Dhamma Cakka Pavattana Sutta betekent “de soetra van het in beweging zetten van het wiel van de Dharma”

[43] Een bhikkhu is monnik.

[44] Opvallend is dat alle 5 de leerlingen de verlichting bereikten, net als velen andere die bij Gautama de Boeddha in de leer zijn geweest. Zij werden Arhat en de vraagt komt op hoe het komt dat in die tijd zoveel mensen verlichting bereikte en tegenwoordig zo weinig. Eén van de redenen is omdat verlichting toen anders werd bezien als nu. Gautama de Boeddha had zelf de mening dat verlichting intreedt op het moment dat de 4 edele waarheden volledig begrepen en de 2e (begeerte, aversie en onwetendheid als zijnde de bron van al het lijden en wedergeboorte) erkent wordt. Daarmee lijkt het alsof het ratio een belangrijker rol heeft binnen de verlichting dan tegenwoordig wordt erkent.

[45] Een arhat (arahat, heiligen) is op spiritueel niveau en diepte qua heilskennis op gelijke voet als een Boeddha. Iemand wordt echter een arhat genoemd als hij middels een bestaand systeem zijn verlichting heeft bereikt, terwijl een Boeddha de verlichting heeft bereikt middels eigen ondervinden.

[46] Een upăsaka is een lekenaanhanger of lekenmonnik. Het verschil met een bhikku is dat een upăsaka niet zijn huis en gezin verlaat en dus geen monnik wordt.

[47] Mahăvagga van de Vin I, 10

[48] Belangrijk te weten is, dat hij deze uitspraak nabij Varanasi deed gelegen aan de ganges, de heiligste rivier van India. Wie aan de oevers van de ganges gecremeerd en diens as in de rivier gestrooid werd, hoefde niet meer te incarneren, aldus het brahmanisme. 

[49] Samyuttanikăya 7, I, 9

[50] Hun achternaam was kassapa, de voornamen die bekend zijn verwijzen alleen naar de plaats waar zij huisden.

[51] Een subgroep die het haar lieten groeien en gevlochten droeg.

[52]Mahăvagga van de Vin I, 20, 17

[53] Moggallăna werd ook vaak Kolita genoemd. Zowel hij als Săriputta waren eerst leerlingen van de ascetische spiritueel leraar Sanjaya.

[54] Kăludăyin werd ook vaak “de donkere Udăyin” genoemd wegens zijn huidskleur.

[55] Bijvoorbeeld in een gesprek met koning Pasenadi van Kosala, opgetekend in de Samyuttanikăya 3, I

 

deel 1 | deel 2 | deel 3