Zie je geen afbeeldingen,hier kun je de player gratis downloaden.

 

Boeddha, deel 1/3
 

 

wie zijn wij...

Ivar | Niti | Monique | Chris

 
sitemap
reiki & chios
tantra & meditatie
   
sites
tantra-lotus
reiki-lotus
ivar mol
forum
   

nieuwsbrief

lees de laatste online
mail adres voor nieuwsbrief
aanmelden   afmelden

   
informatie
contact, foto's, adres
cursus kalender
plan je eigen afspraak
prijzen
inschrijfformulier
schrijvvouten
decembersteun
   

opleidingen

tantra
sweda massage
spiri begeleider
meditatie
snuffelstage
   
inzichtkaarten
lotus kaarten
tantra kaarten
   
winkel
meditatie mp-3
certificaten
wierook
massage olie
kruidenmengsels
massage kado bon
bestelformulier
e-boeken
Bol.com boeken
  bol.com Partner
   

contact

contactgegevens
   
   
decembersteun
   
  er zijn nu 3 bezoekers op deze site
   
   
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ivar mol > tantra > Gautama de Boeddha (1/3)

In het kader van de reis welk wij elk jaar in februari aanbieden: "In de voetsporen van de Boeddha" hebben we in 2011 een e-boek geschreven met de titel: "Gautama, biografie van een verlichte". Dit boekje is gratis te downloaden en staat tevens op deze website verdeeld over 3 pagina's.
In het artikel zie je nummers, dit zijn voetnoten. Door op het nummer te klikken krijg je extra informatie onderaan de pagina. Door wederom op het nummer te klikken kom je terug in de tekst.
het artikel bestaat uit de hoofdstukken:

Siddharta Gautama
Gautama de asceet
Gautama de Boeddha
Gautama de Mahăpurisha
Gautama de Tathagata
Literatuurlijst
Download het e-boek

Siddharta Gautama

De persoon die wij kennen als “de Boeddha” werd geboren als Siddhartha[1] Gautama[2] in mei 563 v. Chr[3]. Zijn vader heette Suddhodana[4] Gautama en hij was de radja van Kapilavastu, de hoofdstad van  Sakya. De volledige naam van Siddhartha was dan ook: “Siddhartha Gautama telg van de Sakya-clan”.
Deze Sakya-clan was een samenwerkingsverband van meerdere nederzettingen waarvan Kapilavastu het bestuurlijk- en handelscentrum was[5]. Deze ‘stad’[6] telde in de periode waarin Siddhartha geboren werd ongeveer 8.000 inwoners en de gehele clan telde ongeveer 180.000 inwoners. Suddhodana was dus geen grote en rijke koning met paleizen en vele bedienden zoals wel eens voorgesteld wordt. In meerdere biografieën over de Boeddha wordt verteld dat hij een zoon van een koning was, dit is dan ook onjuist. De Sakya-clan was een republiek en was onderdeel van een groter koningrijk[7]. Het had een eigen raadsvergadering en de leden kozen uit hun midden op democratische wijze een radja en dat was de vader van Siddhartha.
Suddhodana was met 2 zusters getrouwd die tegelijk zijn nichten waren en uit Devadaha (Sakiya-clan) kwamen. Măyă (Mahamăyă) was de oudste zuster en tevens zijn eerste vrouw en de moeder van Siddhartha, Pajăpati (Mahapajăpati, Gotami) was zijn tweede vrouw die zelf het leven schonk aan 2 kinderen, een zoon Nanda en een dochter Sundarinandă. In die tijd was het gebruikelijk dat een vrouw in haar ouderlijk huis beviel en zodoende vertrok Măyă hoogzwanger naar Devadaha. Zij is daar echter nooit aangekomen omdat halverwege de reis haar vliezen braken en de bevalling vond plaats net buiten Lumbini. We mogen aannemen dat zij niet alléén de meerdaagse reis van Kapilavastu naar Devadaha ondernam, een veronderstelling welke bekrachtigd wordt omdat haar zus eveneens hoogzwanger was en dus ook de reis naar haar ouderlijk huis diende te maken. Logisch dat ze samen en met gevolg deze reis hebben ondernomen. Of in hun gevolg ook een vroedvrouw aanwezig was is onduidelijk, bekend is de bevalling uitermate zwaar was en dat Măyă direct na de bevalling terug is gegaan naar Kapilavastu.

Eenmaal weer thuis was het de priester Asita Kaladevela[8] die het 3 dagen oude kind als eerste een bijzondere toekomst voorspelde. De legende is dat Asita tranen in de ogen kreeg toen hij het kind zag omdat hij wist dat het kind uit zou groeien tot een bijzondere spirituele leraar en hij nooit zo lang zou  leven om zijn lessen te kunnen volgen. Hoewel Asita wist dat Siddhartha een groot spiritueel leraar zou gaan worden zei hij tegen zijn vader dat de jongen een groot leider zal gaan worden: “op aards dan wel spiritueel niveau”. 2 dagen later voltrokken 8 brahmaanse priesters de naamgevingceremonie, de jongste van deze priesters heette Kondańńa en zou 30 jaar later één van zijn eerste volgelingen worden. Het einde van deze ceremonie was op de 6e dag na de geboorte, een dag later stierf Măyă en  Siddhartha werd verder opgevoed door zijn tante Pajăpati die zojuist was bevallen van een jongen; Nanda.  


De eerste keer dat Siddhartha tot meditatie kwam was toen hij 9 jaar oud was en samen met enkele vrienden bij de ceremoniale eerste ploeging van het jaar mocht zijn. Hier werd door de radja het eerste stuk grond van het jaar geploegd en de ceremonie was bedoeld om een goede en rijke oogst te waarborgen. De plechtigheid waartoe Siddhartha ook aanwezig moest zijn bestond uit het voorlezen van vedische geschriften[9]  en de jongen wist van voorgaande keren dat dit een langdurige plechtigheid was. Hij vroeg zijn moeder waarom dat nodig was waarop zij antwoordde dat de vedische geschriften heilig waren en door de schepper zelf aan de brahmaanse priesters[10] waren overgedragen. Op zijn vraag waarom zijn vader de geschriften niet voorlas antwoordde ze dat alleen degenen die in de Brahmaanse kaste waren geboren de geschriften mochten reciteren: “Zelfs heel machtige koningen moeten voor priesterlijke taken een beroep doen op de diensten van de brahmanen”.
De jongen kreeg het toch voor elkaar om vrij te krijgen en ging op een afstand naar de ploeging kijken. Siddhartha zag dat de ploeg door de aarde sneed en zo strakke voren trok. Hij zag echter ook dat wormen en ander grondleven doormidden werden gesneden en kronkelend achterbleven, hoe deze diertjes werden opgepikt door kleine vogels die ze opaten en hoe een grote roofvogel een klein musje uit de lucht greep die net een worm had opgepikt. Hij ging vervolgens in de schaduw van een djamboeboom zitten, kruiste zijn benen en verzonk als vanzelf in een meditatie. Hij overzag de ploeg, het grondleven, de mus en de roofvogel en merkte op dat hij als gevolg van de brandende zon in de schaduw was gaan zitten. Toen hij uit zijn meditatie kwam zei hij tegen zijn moeder: “Moeder, de wormen en de vogels hebben er niets aan dat wij de geschriften reciteren.”

Siddhartha’s twijfels over het brahmanisme werd gedurende zijn tienerjaren alleen maar vergroot. Als waarschijnlijk toekomstige radja werd hij onderwezen in de heilige geschriften zoals de upanishaden[11] en de veda’s en hij had bijzondere aandacht voor de rigveda[12] en de atharvaveda[13]. Hem werd geleerd dat Brahman[14] de opperheerser van het heelal was en dat het een gave op zich was om deze god te kunnen bereiken. Zodoende kreeg hij aandacht voor de manier waarop de mensen omgingen met deze geschriften en de bijzondere positie van de brahmanen. De veda’s golden als brontekst voor het brahmanisme en daarin werden offerformules, ceremonies en heilige handelingen beschreven en de klemtoon kwam steeds meer te liggen op de juiste uitvoering van al deze rituelen die steeds omslachtiger en ingewikkelder werden. De ‘gewone burger’ durfde deze niet meer uit te voeren uit angst iets fouts te doen en zo de toorn van de goden over zich heen te krijgen en zo werden deze handelingen alleen nog maar uitgevoerd door specialisten; de brahmaanse hindoepriester. Deze priesters wisten dat zij een monopoliepositie hadden op het spirituele vlak en dat zij een macht hadden die zelfs verder ging dan de macht van de radja’s en de koning. Deze macht zorgde er uiteindelijk voor dat het hele spirituele denken op zijn kop werd gezet; waren offers in eerste instantie bedoeld om de goden gunstig te stemmen, gaandeweg waren de goden afhankelijk van de offers van de priesters. Zonder de juiste uitvoering van de rituelen waren de goden kansloos en zo hadden niet de goden maar de priesters alle touwtjes in handen. Siddhartha merkte dit op tijdens een uitstapje waarbij hij langs een strohut kwam waar een rouwbeklag bezig was. Hij hoorde dat de kostwinner pas gestorven was en hij zag dat zowel de hut als de bewoners er zeer armoedig uitzagen. Hij hoorde hoe de kostwinner naar een brahmaanse priester was gegaan om hem te vragen de grond onder een nieuw te bouwen hut te zuiveren. De priester had als wederdienst geëist dat de man voor hem zou werken. Door dagenlang stenen te dragen en hout te hakken werd de man ziek en was uiteindelijk komen te overlijden.

Siddhartha ging steeds meer uitstapjes maken en het liefst naar kluizenaars, monniken en samana’s[15] die kritischer stonden ten aanzien van de brahmanen en hun eigen spirituele weg aan het zoeken waren[16].
In Sakya waren niet veel van deze vrijgevochten samana’s maar in het westelijk gelegen koningrijk Kosala[17] en in het zuidelijk gelegen koningrijk Maghada[18] waren er velen. Siddhartha liet blijken ooit naar deze gebieden te willen gaan om bij deze mannen te gaan studeren. Zijn vader, de radja Suddhodana, kreeg dit ook allemaal te horen en moest denken aan voorspelling van Asita Kaladevela dat Siddhartha een groot leider zal gaan worden: “op aards dan wel spiritueel niveau”. Sakya was een kleine republiek en Kosala had al meerdere pogingen ondernomen om het land over te nemen. Als Siddhartha een groot leider zal gaan worden, laat het dan op aards niveau zijn, zo dacht Suddhodana. Een bijkomende zorg was dat Siddhartha in alle vakken goed was[19], behalve in militaire zaken, oorlogsvoering en gevechtshandelingen. Suddhodana deelde zijn zorgen met zijn jongere broer  Dronodanaraja, de vader van Devadatta[20] en Ānanda [21]. Deze gaf het advies een vrouw voor Siddhartha te zoeken, dat zou zijn aandacht wel gaan verleggen en hem strijdbaar maken. Vervolgens kreeg Pajăpati, die net bevallen was van een dochter (Sundarinandă) de taak een vrouw voor Siddhartha te gaan zoeken. Die vond zij in de persoon Bhaddakaccănă[22], een volle nicht van Siddhartha en dochter van raja Suppabuddha[23] die de broer was van Pajăpati. Bhaddakaccănă was een zeer sociaal persoon die hulpprogramma’s opzette voor armen en zieken en haar vader stimuleerde tot betere verzorging voor de lokale bevolking. Nadat de 2 getrouwd waren hebben ze meerdere jaren besteed in het proberen de levensstandaard voor de bevolking te verhogen. Siddhartha begreep echter steeds meer dat aan het grote lijden, zoals ziek worden, ouder worden en sterven op deze manier niet te ontkomen viel. Door zijn blijvende contacten met samana’s begreep hij dat alleen innerlijke rust het grote lijden een weerstand kon bieden. Niet dat ziek worden, ouder worden en sterven een halt was toe te roepen, maar dat het beleven ervan vanuit een innerlijke rust niet zal leiden tot lijden. Hoe hij echter kon komen tot deze innerlijke rust was iets wat hij niet wist. In de jaren die volgde begreep hij echter steeds meer dat het zoeken naar innerlijke rust het zoeken naar verlichting was en dat dit niet ging zolang hij aspirant raja zou blijven. Hij voelde de druk van zijn vader om een groot leider te worden en van Bhaddakaccănă om haar een kind te schenken en vader te worden. Het idee om samana te worden en de verlichting te bereiken sprak hem steeds meer aan. Een zoon zou de wens van Pajăpati half invullen en ook zijn vader zou een nieuwe opvolger hebben.

Siddhartha en Bhaddakaccănă waren 13 jaar getrouwd toen ze op 29 jarige leeftijd een zoon kregen; Răhula[24]. Enkele uren nadat zijn zoon was geboren heeft Siddhartha, met steun van Channa, zijn gezin verlaten om een samana te gaan worden. De legende verteld dat Siddhartha zonder dat iemand het wist weg is geslopen, maar uit de Majjhima Nikaya[25] blijkt dat dit onjuist is:

“Toen ik nog Bodhisattva was kreeg ik een gedachte: “een benauwenis is het huiselijk leven, een stoffig pad, het samanaschap is de vrije hemel”. Het is niet makkelijk voor iemand die thuis woont om de volmaakte, volledige reine levenswandel der heiligheid te volvoeren. Als ik mij nu eens haar en baard zou afscheren, de gele gewaden zou omleggen en uit het huiselijk leven de thuisloosheid in zou trekken?
En ik, die nog jong was, een knaap met zwart haar, die in gezegende jeugd verkeerde, in de kracht van mijn leven, schoor mij, hoewel mijn ouders het er niet mee eens waren en tranen in de ogen hadden en weenden, haar en baard af, legde de gele gewaden om en trok uit het huis weg de huisloosheid in”.
[26]

Siddhartha trok als eerste naar het zuidelijk gelegen Anupiyă waar hij een week verbleef, vervolgens trok hij door naar Răjagaha[27] waar hij een ontmoeting had met de toenmalige koning Bimbisăra die later een trouw volgeling en vriend van Gautama de Boeddha zou gaan worden. Kort daarna vertrok Siddhartha om te gaan studeren bij Ălăra Kălăma[28]. Of hij deze leraar bewust opzocht of dat hij er per toeval bij terecht kwam is onbekend, Ălara was geen grootheid op meditatiegebied en buiten de soetra’s wordt hij nauwelijks genoemd. Zijn leer bestond uit een yoga-achtige vorm van meditatie waarin het bewustzijn één wordt met het oneindige, een methode welke “de toestand van onbegrensde ruimte” werd genoemd. De vervolgstap was het inzicht dat de geest de bron is van alle verschijnselen en als je dit inzag dat je dan in een “toestand van onstoffelijkheid” terecht kwam, ofwel de toestand van de leegte. Siddhartha zou dit stadia binnen een maand bereikt hebben en Ălăra was erg onder de indruk. In de tussentijd was hij erachter gekomen dat zijn leerling een zoon van een radja was en zag in Siddhartha de ideale persoon om samen zijn gemeenschap te gaan leiden. Siddhartha had echter ingezien dat de “toestand van onstoffelijkheid” een diepe meditatietoestand was, maar niet de innerlijke rust teweegbracht die nodig was om het lijden van ouderdom, ziekte en dood op te lossen. Hij verliet Ălăra en stak de rivier de Ganges over om het koninkrijk Maghada in te trekken, een land welk bekend stond om zijn grote verscheidenheid aan spirituele leraren. Zo ontmoette hij asceten die geen kleding droegen en alleen leefden van producten uit het bos en primair hun lichaam verwaarloosden omdat zij deze zagen als onderdeel van het ego welk ze los probeerde te laten. Siddhartha vond deze methode te extreem aangezien iedereen de verlichting zou moeten kunnen bereiken zonder dergelijke extremen toe te passen. Gedurende 3 jaar zwierf Siddhartha rond en verbleef steeds in korte periodes bij verschillende leraren. Uiteindelijk kwam hij terecht bij Uddălaka Ăruni[29].
In tegenstelling tot Ălăra had Uddălaka zijn visie niet door zelfinzicht verkregen maar gekregen van zijn vader Răma. Het zou leiden tot “de toestand van zonder waarnemen noch niet-waarnemen”. In deze toestand zou ingezien worden dat leegte iets anders is dan lege-ruimte en iets anders is als bewustzijn[30]. Alles wat overblijft is waarneming en het object van waarneming. Siddhartha bereikte dit stadium in 15 dagen en merkte op dat het een zeer rustgevende en vredige meditatie was, maar dat het niet de problemen van leven en dood oploste. De rust besloeg alleen de duur van de meditatie, niet daarbuiten. Uddălaka vond dat Siddhartha zijn verlichting bereikt had en bood hem de leiding over de gemeenschap aan wat Siddhartha weigerde.

 


[1] Siddhartha was zijn voornaam en betekent: “wiens doel is volbracht of van wie elke wens vervuld”. Op zijn 35e heeft hij de verlichting bereikt, tot die tijd wordt hij altijd aangesproken met zijn geboorte en familienaam: Siddhartha Gautama. Na zijn verlichting wordt hij aangesproken als Gautama de Boeddha.

[2] Gautama is de familienaam, ofwel de achternaam

[3] De precieze geboortedatum van Siddhartha is vaststaand gegeven. De meest recente datering is dat Siddhartha geleefd heeft van ca. 450 tot ca. 370 v.Chr, door moderne geleerden wordt ook de periode van ca. 480-400 gesuggereerd. De vroegste datering van 623 v. Chr. wordt in de Theravada boeddhistische landen aangehangen. Over het algemeen wordt deze datum echter door de moderne wetenschap verworpen omdat hij niet gevalideerd kan worden in oude boeddhistische geschriften. Deze datum wordt pas vermeld in geschriften in de 11e eeuw n. Chr. De datum van 566 (c.q. 563) v. Chr. is de momenteel meest gangbare geboortedatum van de Boeddha in de geloofstradities zelf. De basis van deze theorie zijn oude Sri Lankaanse geschriften zoals de Mahavamsa en de Culavamsa, oude Sri Lankaanse commentaren waarin een tijdlijn van Sri Lanka en het boeddhisme opgenomen is. In de meeste oude Sanskriet teksten van het Mahayana en het Tibetaans boeddhisme wordt vermeld dat de geboorte van de Boeddha in het jaar 448 v. Chr. plaatsvond. Door sommige historici wordt deze theorie als het waarschijnlijkst beschouwd. Volgens de meest recente wetenschappelijke theorie, die door R. Gombrich in 1991 op een boeddhistisch congres werd gepresenteerd, is de Boeddha geboren in het jaar 490 v. Chr. Met een mogelijke afwijking van 450 tot ca. 370 v.Chr. Vast staat wel dat de Boeddha zijn verlichting heeft bereikt toen hij 35 jaar oud was, en hij op 80 jarige leeftijd is overleden. Zijn geboorte, de verlichting en het overlijden vonden allen plaats tijdens de volle maan van de Indische maand Vesakha.

[4] Suddhodana betekent: “die zuivere rijst verbouwt”

[5] Een nederzetting telde vaak enkele tientallen lemen hutten afgedekt met stro. Het huis van de radja was eveneens van stro of van steen. De nederzetting was doorgaans omgeven door een aarden wal voornamelijk bedoelt om wilde dieren op afstand te houden.

[6] Opgravingen laten zien dat Kapilavastu 700 meter bij 400 meter groot was.

[7] Sjakja was een district in Kosala met aan het hoofd koning Pasenadi

[8] Asita betekent: “niet-wit” en verwijst naar de donkere huidskleur van de priester, die afkomstig was uit pre-arische oerinwoners van noord-oost India.

[9] De vedische geschriften (veda's) zijn 4 geschriften die de basis vormen voor de upanishaden, de Indiase filosofie en veel van de religies die tot het hindoeďsme gerekend worden. Ze bestaan uit religieuze hymnen over God(en), spirituele filosofie, het universum, de natuur en de juiste levenswijze. Het woord 'veda' is etymologisch verwant aan het werkwoord weten en betekent kennis. De vroegste veda's dateren 1500 voor Christus.

[10] Een brahmaan is een lid van de hoogste kaste van het kastensysteem welke de priesterkaste is. Het brahmanisme onderwees dat de brahmaan uit de mond van de oppergod en schepper Brahma afkomstig was. Hun functie en taak in het brahmanisme was ongeveer die van priester. Zij kenden de rituelen die koningen dachten nodig te hebben om via hun god Brahma geluk, welvaart en succes te bereiken, en hadden daarom een belangrijke en machtige positie in het oude India. De brahmanen studeerden de geschriften van de vedas, waarin die rituelen beschreven waren. Gautama de Boeddha herdefinieerde het begrip 'brahmaan', zodat het een meer spirituele betekenis kreeg, overeenkomstig met die van een arhant of Boeddha die verlichting bereikt heeft. Boeddha was het niet ermee eens dat de brahmanen uit de mond van Brahma afkomstig waren: immers, men kon zelf zien dat ze uit de moederschoot afkomstig zijn, net als andere mensen.

[11] De upanishaden (upanishads) zijn een onderdeel van de hindoeďstische shruti-geschriften. De oudste upanishads behoren tot de vedische geschriften. Zij komen voor bij elk van de vier veda's. Ze vormen als het ware een filosofisch aanhangsel bij de hymnen en voorschriften der veda’s. Het woord upanishad betekent letterlijk: ‘neerzitten bij’ en duidt op het zitten van de leerling aan de voeten van de meester. Vandaar dat upanishad ook onderrichting betekent.

[12] De rigveda (Sanskriet: rig = lof, veda = kennis) is de oudste van de 4 godsdienstige hindoeteksten die bekend staan als de vda's. De rigveda is ontstaan tussen 1700 en 1100 v. Chr.

[13] De atharvaveda is het laatste, jongste en dikste van de 4 veda’s en bevat magische formules.

[14] Brahman wordt gezien als één, eeuwig, onvergankelijk, oneindig en onveranderlijk. Het staat voor de schepping in haar continuďteit. Uit het brahman is alles ontstaan, maar aangezien dat hier niet gezien wordt als een persoonlijke god, is de schepping noch bewust gewild noch doelgericht.

[15] Een samana was een zoeker naar verlichting welke zich niet gebonden voelde aan een stroming of school. Meestal hadden samama’s duidelijke kritiek jegens deze scholen.

[16] In de legende over Boeddha is een verhaal (de Dighanikăya) waarin  Siddhartha nooit het paleis verliet maar daar wel een behoefte naar had en dat zijn vader tenslotte 4 uitstapjes had gearrangeerd. Tijdens deze uitstapjes zou de jongen een grijsaard, een zieke, een dode en een bedelmonnik zijn tegengekomen en was dit de aanleiding voor zijn vlucht uit het paleis. Dit verhaal is pas 1.000 jaar na het sterven van Gautama de Boeddha voor het eerst verschenen in de Nidănakathă  en diende alleen maar om de legende over het leven van de Boeddha samengevat te krijgen. In werkelijkheid leefde Siddhartha in een open gemeenschap en onderhield hij vele contacten met boeren, monniken en burgers, zo was Channa, de zoon van een smid, zijn persoonlijke hulp en tevens beste vriend.

[17] Kosala was één van de 16 Mahājanapadas (Sanskriet "Grote Landen") of koninkrijken in het oude India en komt ongeveer overeen met het tegenwoordige Awadh in het huidige Uttar Pradesh in noord-oost India.

[18] Magadha, eveneens een Mahājanapadas lag in het gebied van het tegenwoordige Bihar ten zuiden van de Ganges. 

[19] Het is onduidelijk of Siddhartha kon lezen of schrijven, in de pali-canon staat geen enkele aanwijzing dat hij het kon. In die tijd werd lezen en schrijven niet gezien als basisvorming binnen een opvoeding of opleiding, er bestonden nog geen geschreven boeken en schrijven werd lekhă (ritsen) genoemd omdat de tekens in hout of steen gegraveerd werd. Schrijven was dan ook veel meer een kunstvaardigheid welk als beroep werd uitgeoefend. In latere soetra’s wordt wel melding gemaakt dat Siddhartha kon lezen maar deze bronnen worden als minder betrouwbaar gezien als de canon.

[20] Devadatta (godsgeschenk) was jeugdvriend en neef van Gautama de Boeddha en de broer van Ānanda. Devadatta was van kinds af aan jaloers op Siddhartha/Gautama de Boeddha en heeft geprobeerd om de sangha over te nemen en om de Boeddha te vermoorden. Uiteindelijk heeft hij een alternatieve sangha opgericht met zichzelf als de leider. Op het eind van zijn leven had hij spijt van zijn daden en werd uiteindelijk vergeven voor zijn daden.

[21] Ānanda (vreugde, plezier of verheuging)  was één van de belangrijkste leerlingen van Gautama Boeddha en werd bekend als de Beschermer van de Dharma. Hij was een neef van de Boeddha en zeer nauw met hem verbonden. Hij trad in het tweede jaar na Boeddha's verlichting in de Orde en was gedurende de 25 laatste jaren van het leven van de Boeddha zijn persoonlijke assistent en vergezelde hem op zijn reizen. Een belangrijk onderdeel van zijn taak was het onthouden en opschrijven van de toespraken (soetra’s) van de Boeddha. Veel toespraken van de Boeddha vinden ook plaats met Ānanda als toehoorder.

[22] Andere naamgevingen voor Bhaddakaccănă zijn; Bimbadevi, Yasodhară en Gopă. Later kreeg ze de naam Răhulamătă (moeder van Răhula).

[23] Andere bronnen vertellen dat Bhaddakaccănă de dochter was van raja Dandapani en zijn vrouw Pamita die een jongere zus was van Suddhodana.

[24] Rahula kan worden vertaald in keten of obstabel. Siddharta gaf Rahula deze naam omdat hij zijn nieuw-geboren zoon als een obstakel voor het bereiken van het hoogste (spirituele) geluk zag; zijn zoon was voor hem een keten die hem aan het leven van een leek (niet-monnik) verbond.

[25] De Majjhima Nikaya is de tweede collectie in de Sutta Pitaka van de Pali Canon. De titel staat letterlijk voor 'de midden collectie' en is zo genoemd omdat de sutta's doorgaans van middelmatige lengte zijn, in vergelijking met de langere toespraken van de Digha Nikaya die aan de Majjhima Nikaya voorafgaat, en met de kortere toespraken van de Samyutta Nikaya en de Anguttara Nikaya die na Majjhima Nikaya volgen.

[26] Majjhima Nikaya 36, I, p.240

[27] Răjagaha zou de plek worden waar hij na het bereiken van zijn verlichting tijdens de moessonregens vaak zou verblijven.

[28] Alara Kalama was een yogi in India en de eerste leraar van Siddhartha. Alara Kalama werd omschreven als een wijs man die meditatie cursussen gaf aan studenten en leefde als een zwervend leraar met een groep leerlingen om zich heen. Er waren in die tijd acht niveaus van bewustzijn (de jhanas) bekend en Alara Kalama was bekend met het zevende niveau, het op één na hoogste niveau, hetgeen vaak wordt vertaald als "niets" of "leegheid". Siddhartha was een snelle leerling en het lukte hem snel om de meditatie te perfectioneren. Alara Kalama dacht dat dit het hoogste niveau was, maar de Siddhartha twijfelde hierover en besloot verder te gaan zoeken en Alara Kalama te verlaten. Alara Kalama overleed op 1 december 531 v.Chr. Er werd gezegd dat het zeven dagen voor de verlichting van de Boeddha was.

[29] Uddălaka Ăruni  Is ook bekend als Uddaka Ramaputta

[30] Deze leer leek erg veel op die van de Upanisaden welk Siddhartha in zijn opvoeding had geleerd en al eens verworpen had.

 

deel 1 | deel 2 | deel 3